NOTE.--“Come out of her, my people, that ye be not partakers of her sins, and that ye receive not of her sins.” Rev. 18:4.
These words as it appears are taken from the address of the prophet Jeremiah to the Israelites who were in bondage, in Babylon, saying as in a hasty and affrighted voice: “Flee out of Babylon, and deliver every man his soul; be not cut off in her iniquity; for this is the time of the Lord’s vengeance; he will render unto her a recompense.” Jer. 51:6.
In like manner men must also hastily come out of the spiritual Babel, out of the confusion and many corrupt, human forms of worship and vanities of the world. “Save yourselves from this untoward generation.” Acts 2:40. “The Lord give thee understanding in all things.” 2 Tim. 2:7. POEMS IN THE ORIGINAL LANGUAGE.
_To all charitably inclined Anabaptists and non-resistant Christians_:
_=Rechtsinnige!= die Christum hebt beleden Te volgen in een ware ootmoedigheydt; En die ter noodt den kruys-bergh wilt betreden, Die vol en dicht van scherpe doornen leydt; Vertoeft, en siet nu, in dees jammer-blaren, Wat ach, een wee, een weerloos Christen naeckt, Wanneer sijn ziel met Christo soeckt te paren, En, door’t geloof, na’t eeuwigh leven haeckt. Al siet gy u geloofs-genooten swerven, Om Christi naem, met kommer, angst en pijn, Verlaten van haer huysgesin, en erven, En dolen, in een woest landt, en woestijn, En waer sy zijn, als vluchtelingen, woonen: Dewijl men haer een vast verblijf ontseydt, En vyer, en swaerdt, en galgh, en radt gaet toonen, Met grimmigheydt tot hare doodt bereydt; Laet daerom niet u vyer’ge liefd’ verkoelen, Al waeyt den Noorden windt,[73] van kruys en smaedt, Maer scherper wilt na’t faligh leven doelen, En op gebeen u ziel tot Godt verlaet: Want als de rose en lelye[74] in de doornen Opwassen, en alsoo omcingelt staen; Soo Christi Kerck, en lieve uytverkoornen, Met druck en angst, oock somtijdls zijn belaen. Maer of al schoon, ’t welck wonder schijnt, een moeder Het eenigh kindt, van haer gebaerdt, vergat; So blijft nochtans de Heer ons ziel-behoeder In eeuwigheydt, ons kroone, eer en schat. De waerdigheydt van alles dat magh blijcken, En’t beste dat een mensch op aerden heeft; Sachtmoedige! is geensins te gelijcken By d’heerlijckheydt[75] van die hier deughtsaem leeft. Self Godes Soon, sijns Vaders wel-behagen, Die al’t geschep in eygendom geniet; Heeft, in veel smaedt, een doorne kroon gedragen, En van sijn volck onlijdelijck verdriet. Die heeft u voor-gegaen, en veel geleden, Ja aen het kruys de seer vervloeckte doodt, Wilt hem dan op den Martel-wegh na treden, En achten niet het lijden, druck, en noodt. Want als gy hebt des werelts smaedt, en schanden, En sonden-drift, verwonnen heldelijck; Dan sult gy in het saligh leven landen, En wesen by Godts Helden meldelijck:[76] Wanneer haer Godt, met sael’ge glory-meyen, En eeuw’ge vreught, en rijckdom, eer, en prael, Sal in’t Palleys der Heem’len binnen leyen, En wesen self haer loon, en bly onthael: Om dat sy t’saem de werelt niet en achten, En haer geloof bezegelden met bloedt: Een grondt, en steun, daer op gy meught verwachten Het Koningrijck vol eeuwigh blijvend goedt. Daerom, o Heer! leert ons ons doen besinnen, Door middel van het Nieuw’ Verbondt, u Woordt; Dat wy u doch lot aen de doodt beminnen, En’s werelts korte vreught ons niet bekoordt; Want eeuwigh is soo lang! ja is onendigh! En valt te bang, voor die gy uyt den Throon Van u genade stoot. Versterckt inwendigh Het Christ-geloof, en zijt ons Schildt, en Loon, Behoedt oock voor ziel-schadelijcke tijden =D’Hooghmogende= van’t Vrye Nederlandt; Die’t Helsch geblaeck en weerloos Christen lijden Nie’t dulden, reyckt altijdt u vrede-handt: Op dat wy doch, als ware Christen rancken, Hier onder haer Gebiedt, seer vryelijck, U met veel vrucht, en vollen wasdom dancken, Tot glory van u Hemelsch Koningrijck._