[73] Song of Solomon 4:16.
[74] Song of Solomon 2.
[75] Rom. 8:18.
[76] Rev. 3:5.
_Non est mortale quod opto._
_Wanneer Ierusalem, door’s vyandts swaert en degen, Seer deerlijck was verwoest; en’t ed’le Iacobs zaet (’t Welck, als doorloutert gout, uytblonck met veel cieraet) Gewentelt lagh in’t bloedt, en deerelijck verslegen; Stracks Ieremias sulcks neemt in sijn overwegen.[77] Dat soo de slaende bandt des vyandts henen gaet: Hy treurt, dat selfs den rouw hem in’t gebeente slaet: En is in asch, en stof, al weenende, gelegen. Vreed-lievende! die oock ket moort-gewelt aensiet, Dat in den Wijnbergh Gods, van oudts af, is geschiet; Wie smeeckt de Heere niet, met t’saem-gevouwe handen: O Heer! die donck’re wolck van’t Christendom af drijft; So niet: ons Christ-geloof dan in de hope stijft, Dat’t hert ons niet vertsaeght in’t worgen, moorden, branden._
[77] Lamentations 1:1.
_Iustus ex fide vivet._
_To my brother T. J. van Braght:_
_Een Hemelsvyer, van lust en yver, holp de snaren Van David aen den galm, van een bedroeft accoort: Wanneer den angst des doodts, uyt Zion, wiert gehoort, Dat hy sijn’s herten rouw, in Psalmen ging verklaren.[78] Soo sagh ick ’t yver-vyer, o Broeder! uyt u varen, Als gy de Martelaers van ’t Nieuw Verbondt bracht voort: Self, op die tijdt, wanneer door[79] sieckt’, het klaeghlijck woort Tot u quam: ’t Schijnt ghy sterft, wilt moeyt’ en yver sparen. Maer hebt, des niettemin, dit bloedigh offer-werck, Met krancke, en swacke leen, ten dienste van Gods Kerck, Door onvermoeyde vlijt, en yver, dus beschreven. Derhalven, wie gy zijt, die Christum onsen Heer Wilt volgen, in sijn woort, en Goddelijcke leer; Wort door dit lesen doch tot ware deught gedreven._
[78] Of the desolation of Jerusalem, David in his Lamentation sung: “O God, the heathen are come into thine inheritance; thy holy temple they have defiled; they have laid Jerusalem on heaps.” Ps. 79:1.
“By the rivers of Babylon there we sat down, yea, we wept when we remembered Zion. We hung our harps on the willows in the midst thereof.” Ps. 137:1,2.
[79] In 1659 the hand of God was laid heavily upon my brother, in that he was visited with a severe sickness, so that to all appearance, it seemed that he would not recover.
_P. van Braght._